Jasper en een eend

Jasper en een eend

Als we bij de vijver aankomen zijn er maar een stuk of tien. Enkelen zwemmen in het water, maar de meesten zitten op gras. Al bij het eerste geritsel van de zak met brood die we bij ons hebben, richten de eenden op de kant zich geïnteresseerd op. De anderen komen, eerst langzaam maar dan steeds sneller, op ons afgezwommen om poolshoogte te nemen.
Hebben deze ongevederde landlubbers eendeneten bij zich, of zitten ze de boel te flessen, en gaan ze er snel weer vandoor zodra we ons te belangstellend tonen?
De kleinste van deze twee ongevleugelden ziet er veelbelovend uit: hij wijst, zwaait en roept “ete!” Even kijken de eenden elkaar onzeker aan: hij heeft het toch wel tegen, en niet over ons? Als we tè dichtbij komen hebben zij dan vanavond ‘Confit de Canard’ op het menu?

De eenden lijken zichtbaar te besluiten dat we ongevaarlijk zijn en als Jasper de eerste stukjes brood hard lachend in hun richting smijt, komen ze kwakend op ons af gewaggeld. Hun gesnater mobiliseert meer geïnteresseerden en plotseling komen ze van alle kanten aangevlogen, aangezwommen en aangeschommeld. Algauw zijn we omsingeld door een uitzinnige menigte van wel 40 eenden, en hun aantal groeit nog steeds.

We komen hier regelmatig. Regelmatig genoeg om ons brood eigenlijk net niet oud te laten worden. Het is nog niet echt hard of beschimmeld, maar ach, het ruikt ‘ietwat oud’ en Jasper vindt het zo leuk. De eenden ook.

Langzamerhand beginnen ik ze te herkennen. De twee hele grote muskuseenden -waarvan één gekortwiekt- die ik altijd wat griezelig vind zo met hun rode snavels op Jasper’s ooghoogte. De lading bruine eenden -eentje mooi lichtbruin- die een paar maanden geleden nog kuikens waren. De moedereend met vier jongen, vorige week nog zes. En, hé, een nieuwe moeder van vier.

DSC02557jj

Jasper en de eenden

We lopen een stukje weg als de zak brood bijna leeg is, achtervolgt door intussen wel vijftig eenden. We lopen naar een witte eend, die achter is gebleven. Jasper heeft hem niet in de gaten, maar ik heb -speciaal voor hem- wat brood achter gehouden. Deze eend mist een poot en komt daardoor in aanmerking voor een speciale behandeling.

Tenminste, dat vind ik. Jasper is niet geïnteresseerd: hij heeft een stokje ontdekt waarmee hij lekker in een regenplas kan slaan. De andere eenden hebben ook geen boodschap aan de arme gehandicapte. Alle vijftig houden ze nauwlettend in de gaten wat ik met dat handjevol brood ga doen, en hoe ze daar zo snel mogelijk bij kunnen komen.

Ik gooi het vlak voor de snavel van de éénpoot, en hij krijgt zowaar een paar stukjes te pakken, voordat de rest van de eenden zich er als een stel jakhalzen bovenop stort. Binnen een paar seconden is het voorbij. Als de eenden doorhebben dat er bij ons geen brood meer te halen valt, verspreidden ze zich langzaam en de enkelpotige blijft achter.

Moeizaam hinkelstapt hij naar de waterkant. Hij laat zich in het water laat glijden. Gemakkelijk zwemt hij naar het midden van de vijver, snatert nog even naar een paar meerkoeten die snel maken dat ze wegkomen, en drijft dan moeiteloos naar wat eendenkroos.
Ik realiseer me ineens dat Jasper en de andere eenden gelijk hadden. Deze eend kan zich prima redden. Die poot is maar een poot: hij kan nog prima zwemmen en vliegen. Een eend met mogelijkheden.