… Dag, mijn lieve Baatje!

Jasper is een bikkel.

Toen ik terug kwam van het boodschappen doen, ging net de telefoon. Het was Martijn die vroeg of ik even naar de kinderopvang kon gaan om Jasper’s hoofd te inspecteren. Die was namelijk binnen gekomen van het buiten spelen (ja, met dit weer, want kinderen zijn op de een of andere manier water-, wind-, en kou-proof) met een snee naast z’n oog. Bij de kinderopvang twijfelden ze eraan of ze ermee naar de dokter moesten, en vonden ze het fijn als één van z’n ouders daar een beslissing over maakten.

Schuldbewust de mobiele telefoon bij me stoppend (die had ik tijdens het boodschappen doen namelijk vergeten en er waren vier gemiste oproepen van Martijn en van de kinderopvang), stapte ik natuurlijk meteen weer op de fiets om te gaan kijken.

Bij de kinderopvang aangekomen had ik eerst moeite om Jasper zover te krijgen dat hij even ophield met rondhoppen op het skippy-paard, zodat ik naar zijn oog kon kijken. Hij wist me met een grote grijns te vertellen dat Justin een schep tegen hem aan had gegooid. Justin keek wat bedremmeld.

Ik vroeg hem om naar mijn pink (mijn wijsvinger vind hij meestal niet zo interessant) te kijken die ik voor zijn gezicht heen en weer zwaaide. Dat ging prima. Toen hij naar buiten in het licht keek, werd zijn pupil meteen kleiner, en op de vraag of hij hoofdpijn had antwoordde hij stellig ‘nee’.  Er zat inderdaad een klein wondje met wat bloed net aan de buitenkant van zijn oog, maar toen ik het bloed wat wegveegde zag ik dat het maar een heel klein gaatje was. Zijn oogwit was mooi wit, de huid onder z’n ooglid mooi roze en dus heb ik de niet-professionele beslissing genomen om hem lekker door te laten spelen.

Een vluchtige knuffel later, en Jasper hopte er alweer vandoor.

Justin bleef uit m’n buurt, dus ging ik even naar hem toe, om te vragen wat er was gebeurd. Hij kwam er niet zo goed uit. Ik zei tegen hem dat hij een beetje voorzichtig moest zijn omdat ik maar één Jasper heb. Toen heb ik hem gekieteld tot hij moest lachen. Toen heb ik Jasper gekieteld totdat die nog harder moest lachen.

Ik heb ze vaker samen zien spelen en ze gaan over het algemeen minder voorzichtig met elkaar om dan met andere kinderen. Ik denk dat ze in mekaar een prima speelkameraadje hebben gevonden. Dat ze af en toe wat krassen en schrammen oplopen is, hoewel het natuurlijk grenzen heeft, denk ik onvermijdelijk. Ze doen mekaar niet expres pijn en ze hebben plezier. Met scheppen gooien mag natuurlijk uitdrukkelijk niet, maar dat snappen ze ook eigenlijk wel. Als ik Justin’s beteuterde gezicht zo zag, denk ik zo dat hij dat voortaan wel zal laten.

En Jasper heeft een wond waar hij de komende twee weken niet over uitgepraat zal zijn. Ik zal nooit vergeten hoe hij drie weken na een afgrijselijke (en een voor Martijn, Rutger, Dion en mij erg traumatiserende) val van de trap nog trots zei: “Jasper van de trap vallen!” en fronsend erachteraan: “niet leut!”

Ik heb natuurlijk de leidsters op de kinderopvang bedankt dat ze ons hebben ingelicht, maar ik vroeg me wel af waarom ze mij lieten komen voor zoiets kleins. Het is niet eens een snee. Het is meer een bloederige schram. Het zit natuurlijk net naast het oog, en wondjes in het gezicht kunnen vaak naar bloeden, maar als het kind er verder geen last van heeft zou ik zelf er niet zo’n punt van maken. Wat schoonmaken en Betadine erop.

Het antwoord kreeg ik al snel: ze hadden het afgelopen weekend een cursus kinder-EHBO gevolgd. “Oooh,” zei ik begrijpend, want ja, dat weet ik nog van toen ik zèlf een EHBO-cursus had gevolgd. Als ik iemand onderuit zag gaan verwachtte ik meteen het ergste: in mijn gedachten moest ik verbanden aan gaan leggen, druk op wonden houden, omstanders mobiliseren om 112 te bellen… Tegen de tijd dat ik alle scenario’s in gedachten had afgewerkt, was de gevallene allang weer gewoon opgekrabbeld en weggelopen.

Als leidster van een groep kleine kinderen heb je daarbij ook nog eens te maken met ouders die, terecht, heel zuinig zijn op hun kroost. Die ouders nemen het je kwalijk, óók terecht, als je dan niet juist handelt. Ik kan me voorstellen dat je dan liever het zekere voor het onzekere neemt. Je hebt tenslotte een verantwoordelijkheid die je als ouder gewoon hebt omdat het jouw kind is, niemand anders diezelfde verantwoordelijk heeft over jouw kind, en omdat je door ervaring leert. Ìk heb Jasper eens een vervelende schuiver zien maken waardoor hij schrammen in z’n gezicht had, ìk heb Jasper een keer van de trap zien vallen met z’n hoofd naar beneden waar hij een knoepert van een bult op z’n voorhoofd aan over hield, en ìk verwacht dat ik Jasper nog eens van z’n fiets zie lazeren of een gat in z’n knie zie vallen.

Erger dan dat wil, kan en hoef ik me gelukkig niet voor te stellen. Alle rottige verhalen ten spijt komen de meeste kinderen nog steeds gewoon goed en heelhuids hun kindertijd door.

Bovendien kennen ouders hun kind doorgaans beter dan anderen die hem of haar minder zien. Ik merkte dat de leidsters zich wat zorgen maakten over het feit dat Jasper helemaal niet had gehuild. Martijn en ik weten dat Jasper van baby af aan al weinig huilde als hij pijn had. Wel onhandig, want soms realiseer je je daardoor pas later dat er iets was. Ik ritste eens zijn jas dicht en Jasper zei met een stralend gezicht: “au.” Ik zag zo gauw niks aan hem en pas toen we tien minuten later bij de kinderopvang waren zag ik een klein blauw plekje op zijn hals, waar duidelijk een velletje tussen de rits had gezeten. Persoonlijk zou ik hebben gegild.

Ik kan het niemand kwalijk nemen dat ze niet verwachtten dat zo’n klein kind ook zo’n grote bikkel kan zijn.